Tweeduizend jaar geleden schreef de apostel Paulus: ‘Wij
slechten de redeneringen en elke schans die opgeworpen wordt tegen de
kennis van God, en brengen elk bedenksel als krijgsgevangene onder de
gehoorzaamheid aan Christus’ (2 Kor. 10:5).
In de afgelopen tweehonderd jaar hebben mensen zich in toenemende mate
tegen deze ‘kennis van God’ verzet, door te stellen dat de ‘natuur
alles is wat er
bestaat’: het zogenaamde naturalisme. Zij beweren dat
enkel natuurlijke processen de oorsprong en geschiedenis van alles
kunnen verklaren.
Dit historische naturalisme aanvaardt per definitie geen
bewijsmateriaal voor het bestaan van God. De oerknal,
uniformitaristische geologie (de leer dat dezelfde processen die we nu
waarnemen verantwoordelijk zijn voor de aardlagen) en biologische
evolutie gaan uit van (en vooronderstellen) dit naturalisme. Het is
daarom niet verrassend dat van deze drie opvattingen gezegd wordt dat
ze het naturalisme ondersteunen. Al deze drie ideeën weerspreken het
raamwerk van de geschiedenis dat de Bijbel biedt, en waarvan de basis
in Genesis 1 tot en met 11 is te vinden.
Er bestaan voldoende bijbelse, historische én wetenschappelijke
argumenten om Genesis 1 tot en met 11 te beschouwen als een rechttoe
rechtaan historische beschrijving van de oorsprong van het heelal. In
deze artikelenreeks, die ook in boekvorm te verkrijgen is de boekwinkel
worden vijftien bijbelse en historische argumenten behandeld om Genesis
als een historisch verslag te zien. In andere bronnen is voldoende te
vinden over de natuurwetenschappelijke argumenten hiervoor. De
voetnoten en de genoemde websites bieden hierover meer informatie.
1.De houding van Jezus Christus ten opzichte van het Oude Testament
Jezus Christus beschouwde de boeken van het Oude Testament als het
Woord van God. Dat wil zeggen: hoewel ze door mensen zijn opgeschreven,
waren het woorden door God uitgesproken of geïnspireerd door de Heilige
Geest (Matth. 19:4, 5; 22:31-32; Mark. 12:26; Luk. 20:37). Daarom is
zelfs de kleinste letter of letterteken geïnspireerd en zal dit Woord
‘nooit vergaan’ (Matth. 5:18; Luk. 16:17). Jezus gebruikt citaten uit
vrijwel ieder boek uit het Oude Testament en beschouwt die als
gezaghebbend. Zo bevestigde Hij daarmee de canon waaruit de Bijbel
vandaag de dag bestaat.1 Dit laat geen ruimte om ook maar enig deel van de Bijbel te beschouwen als op wat voor manier dan ook ontoereikend.
Het laat evenmin ruimte om de Bijbel als het product van het brein van
‘ongeletterde primitieven’ te beschouwen (kampvuurverhalen van
Semitische nomaden, ‘primitieve geitenhoeders’ enzovoort). Voor een
goede hermeneutiek (methode van interpretatie) die overeenkomt met
Jezus’ houding, wordt gebruikgemaakt van exegese, oftewel: de boodschap
die de schrijver wilde overbrengen uit de tekst lezen– en niet van
eisegese, oftewel: dingen inlezen in de tekst. Het oprecht lezen van de
Bijbel houdt in dat men probeert uit te zoeken wat God zegt, niet wat
de lezer de tekst kan laten zeggen om hem aanvaardbaar te maken of aan
te passen aan populaire overtuigingen van dat moment. Gebruikmaken van
exegese is geen ‘bibliolatrie’ (het aanbidden van een boek), een term
die nogal eens neerbuigend wordt gebruikt om mensen aan te duiden die
accepteren dat de Bijbel door God geïnspireerd is (zoals de Bijbel
overigens zelf zegt).
Juist omdat christenen zich onderwerpen aan het koningschap van
Christus, accepteren zij dat Hij de lijn uitzet. Bij veel gelegenheden
beëindigde Jezus een discussie door te zeggen: ‘Er staat geschreven’
(in het Oude Testament), en: ‘Hebt u het niet gelezen?’ Dit
bekrachtigde het gezag van de Bijbel. Jezus was niet alleen niet
jaloers op de aandacht die mensen hadden voor de Bijbel, maar Hij
berispte hen zelfs voor hun onwetendheid aangaande de Bijbel (Matth.
22:29; Mark. 12:24). Jezus bevestigde zelfs de historische
betrouwbaarheid van juist die passages in de Bijbel die momenteel het
meest aan spot van sceptici blootstaan2 (zie hiervoor ook argument 2 in het artikel dat later verschijnt.
‘Onfeilbaarheid’ is onlosmakelijk en logischerwijs verbonden met Jezus’
standpunt over de inspiratie. Want hoe zou God fouten kunnen
inspireren? Als de Bijbel fouten zou bevatten, dan zou degene die
beslist welke delen onjuist zijn, feitelijk gezaghebbend worden. Deze
persoon eigent zich op die manier Gods autoriteit toe. Het
ultravrijzinnige ‘Jesus Seminar’,3 waar onder de deelnemers gestemd
wordt om te bepalen welke van de woorden die in de Bijbel staan
werkelijk door Christus gesproken zijn, is een logisch gevolg van een
dergelijke benadering.4
De Schrift is niet gezaghebbend als hij niet onfeilbaar is. Is
misschien ‘hebt uw vijanden lief’ een fout? Of ‘gij zult niet stelen’?
Of ‘indien wij onze zonden belijden, is Hij getrouw en rechtvaardig, om
ons de zonden te vergeven’? Sommige mensen zeggen: ‘De Bijbel is
gezaghebbend als het gaat om geloof en hoe we dat in de praktijk
brengen.’ In dit uitgangspunt schuilt echter een groot gevaar. Want als
we de Bijbel niet kunnen vertrouwen op het gebied van bijvoorbeeld de
geschiedenis, hoe kunnen we het Woord dan vertrouwen op het gebied van
geloof en praktijk (theologie)? In Lukas 16:31 staat: ‘Indien zij naar
Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij ook, indien iemand uit
de doden opstaat, zich niet laten gezeggen.’ En Jezus vroeg aan
Nicodemus: ‘Indien Ik ulieden van het aardse gesproken heb, zonder dat
gij gelooft, hoe zult gij geloven, wanneer Ik u van het hemelse
spreek?’ (Joh. 3:12).
Als wij de Bijbel niet kunnen vertrouwen op het gebied van aardse
dingen (zoals de tijdsduur van de schepping en de volgorde van de
gebeurtenissen), waarom zouden wij de Bijbel dan vertrouwen als het
gaat over hemelse zaken (bijvoorbeeld de vergeving van zonden, de
hemel, of morele wetten)? De Verklaringen van Chicago, die de
onfeilbaarheid van de Bijbel behandelen, vormt een zeer belangrijke
standaardverklaring onder evangelicale christenen.5,6
Deze verklaring stemt overeen met het onderwijs van Christus door te
bevestigen dat ‘dat wat de Bijbel zegt, zegt God. Moge Hij verheerlijkt
worden. Amen en amen.’7 Laat het duidelijk zijn dat geloof in de
onfeilbaarheid van de Bijbel niet hetzelfde is als een in beton gegoten
‘letterlijk nemen’ van de tekst. Dat is een veelgebruikte
drogredenering. De juiste toepassing is de gebruikelijke en orthodoxe
grammaticaal-historische hermeneutiek. Deze hermeneutiek erkent het
bestaan van stijlfiguren, zoals metafoor, hyperbool, enzovoort.8 Met
andere woorden, de passages die duidelijk als letterlijke geschiedenis
bedoeld zijn, worden als letterlijke geschiedenis gelezen (en dat is
met inbegrip van Genesis 1 tot en met 11).
Voor de weerleggingen van een aantal andere drogredeneringen, die
worden gebruikt door overigens zeer kundige geleerden als J.P. Moreland
en W. Dembski, raadpleeg de bijbehorende verwijzingen.9,10
Referenties en aantekeningen
1 Dit wordt behandeld in J. Sarfati, ‘The authority of Scripture’, in: Apologia 3/2 (1994), p. 12-16; www.creation.com/authority.Deze tekst is onderdeel van het boek Is Genesis geschiedenis? - 15 argumenten.
© Mediagroep in Genesis
© Mediagroep in Genesis 2011